Regiewet: vier aandachtspunten voor wonen en zorg
De Wet versterking regie volkshuisvesting (Regiewet) is sinds 1 juli 2026 een feit. Met deze wet in de hand krijgt de (rijks)overheid meer mogelijkheden om te sturen op hoeveel, waar en voor wie wordt gebouwd. Ook in het thema wonen en zorg verandert er het nodige. En hoewel 1 juli inmiddels achter ons ligt, betekent de invoering niet dat alle onderdelen van de wet al van kracht zijn. Een deel volgt pas in 2027 of zelfs 2028. Tijd dus om vier relevante aandachtspunten voor corporaties op een rij te zetten.
Ook interessant: Tijdens de training de Regiewet van Kjenning ben je in één dagdeel op de hoogte van de belangrijkste wijzigingen en gevolgen.
1. Wonen en zorg krijgt vaste plek in volkshuisvestingsprogramma
De gemeentelijke woonvisie maakt plaats voor het volkshuisvestingsprogramma. Daarin moet de gemeente niet alleen aangeven hoeveel woningen nodig zijn, maar ook voor wie. De woonbehoefte van ouderen en mensen die zijn aangewezen op zorg of ondersteuning krijgt expliciet een plek. Ook moet de gemeente de verbinding leggen tussen wonen, zorg en welzijn.
Daarmee wordt de eerder door gemeenten opgestelde woonzorgvisie een stuk minder vrijblijvend. Voor corporaties betekent dit dat de discussie over bijvoorbeeld nultredenwoningen, geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen steeds nadrukkelijker onderdeel wordt van het reguliere volkshuisvestingsbeleid.
Rijk en gemeenten moeten hun eerste volkshuisvestingsprogramma uiterlijk 1 juli 2027 hebben vastgesteld. Provincies krijgen hiervoor tot 1 januari 2028. Wil je als corporatie invloed hebben op het volkshuisvestingsprogramma? Dan moet je daarover de komende tijd met gemeenten in gesprek.
2. Van programma naar prestatieafspraken
Een programma alleen bouwt natuurlijk nog geen woning. De vertaling naar de praktijk vindt voor corporaties voor een belangrijk deel plaats via de lokale prestatieafspraken. De prestatieafspraken worden met de wet nadrukkelijk gekoppeld aan het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma. Daarbij moet ook de benodigde zorg en ondersteuning worden betrokken. De gemeente neemt het initiatief om relevante zorg- en ondersteuningspartijen bij het gesprek te betrekken. Zij worden geen formele ondertekenaar, maar leveren wel input.
Dat lijkt misschien een procedurele wijziging, maar kan in de praktijk behoorlijk relevant zijn. Een zorggeschikte woning zonder passende zorg voegt immers weinig toe. Tegelijkertijd is in de praktijk merkbaar dat zowel gemeenten als zorgaanbieders de rol van ‘de zorg’ aan de tafel van prestatieafspraken best lastig vinden. Want welke instelling nodig je als gemeente wel en niet uit? En wil je als zorgaanbieder wel aan tafel? Meepraten kan ook medeverantwoordelijkheid voor uitvoering impliceren, terwijl diverse zorgaanbieders eerst zelf meer greep willen krijgen op wat de transitie naar (Wlz-)zorg thuis voor hun organisatie betekent.
3. Huisvesting van urgente groepen wordt een regionale opgave
De wet wijst landelijk groepen woningzoekenden aan die voor urgentie in aanmerking komen. Daaronder bevinden zich verschillende groepen met een duidelijke relatie met wonen en zorg, bijvoorbeeld mensen die uitstromen uit beschermd wonen of andere intramurale voorzieningen.
Gemeenten moeten hierover regionale verdeelafspraken maken. Daarmee moet worden voorkomen dat gemeenten met relatief veel voorzieningen ook onevenredig veel uitstroom voor hun rekening krijgen. Voor corporaties kan dit gevolgen hebben voor de verdeling van de vrijkomende sociale huurwoningen binnen de regio.
Belangrijk detail: dit onderdeel gaat niet simpelweg sinds 1 juli 2026 volledig gelden. De verplichte urgentieregeling en regionale verdeling hangen samen met het Besluit versterking regie volkshuisvesting, dat naar verwachting op 1 januari 2027 in werking treedt. Gemeenten hebben vervolgens tot uiterlijk 1 januari 2028 om hun huisvestingsverordening hierop in te richten.
4. De zorgaanbieder komt dichter bij de corporatie te staan
Een rode draad in de wet is dat wonen, welzijn en zorg niet afzonderlijk kunnen worden georganiseerd. Gemeenten krijgen nadrukkelijk de taak om de partijen bij elkaar te brengen.
Voor corporaties biedt dat ook een kans. Discussies over zorggeschikte woningen voor ouderen of aandachtsgroepen gaan dan niet uitsluitend meer over aantallen woningen en het realiseren van ontmoetingsruimten. Ook vragen over zorgverlening, begeleiding, de ondersteuning van ontmoeting en de geschiktheid van de woonomgeving kunnen eerder op tafel komen.
Door deze thema’s explicieter aan elkaar te verbinden, wordt een eendimensionale aanpak van de opgave hopelijk zoveel mogelijk voorkomen.
Tot slot: van visie naar uitvoering
Wonen en zorg schuift steeds verder op van een apart beleidsthema naar een vast onderdeel van de volkshuisvesting. Gemeenten moeten de opgave concreter maken, corporaties moeten deze vertalen naar realiseerbare vastgoedprestaties (de ‘hardware’) en welzijns- en zorgpartijen worden nadrukkelijker betrokken als partner in de oh zo noodzakelijke ‘software’.
De uitdaging is daarmee ook meteen duidelijk: we gaan werelden bij elkaar brengen die eerder door diepe ravijnen van elkaar werden gescheiden. Dat vergt de bereidheid om te investeren in kennis van ‘de ander’, de relatie en het af en toe een veer laten ten gunste van het grotere geheel.
Zelf aan de slag met een opleiding Wonen en zorg?
Ben je op zoek naar verdieping op dit onderwerp? Tijdens de Leergang Wonen en zorg ontdek je de kansen en valkuilen van dit speelveld. Het programma helpt je om strategische keuzes te maken voor woon(zorg)producten.
Wil je juist meer leren over de bekostiging en de wijze waarop je tot een transparante, toekomstbestendige huurprijs voor zorgvastgoed komt? Bekijk dan de training ‘De businesscase van zorgvastgoed’.



